De kunstenaars
Uit Kemet
Objecten die wij tegenwoordig als kunst bestempelen, waren voor de Egyptenaren vaak nuttige gebruiksvoorwerpen. De makers van deze voorwerpen waren meestal onbekend. Een kunstenaar in het oude Egypte werkte namelijk doorgaans anoniem en was meer een ambachtsman of handwerker, in het Egyptisch
Door opgravingen van ateliers, afbeeldingen op reliëfs en door wandschilderingen zijn we meer te weten gekomen over de manier van werken, de taakverdeling en de technieken. Ook ostraka, beschreven potscherven, leverden informatie op, met name over de onderlinge verhoudingen tussen de kunstenaars. Zo hadden ze te maken met regels en afspraken die door het goddelijke, mythische waarheidsideaal waren bepaald. Toch werden de ambachtslieden regelmatig in verleiding gebracht om af te wijken van de traditionele, strenge kunstregels. Zij werkten in een voortdurend spanningsveld tussen ideaal en werkelijkheid. Dit blijkt uit de ontwikkelingen in de beeldende kunst, de architectuur en de literatuur. De supervisie over de ateliers, die aan de paleizen en grote tempels waren verbonden, was vaak in handen van hoge functionarissen. Deze toezichthouders droegen de titel 'directeur van het schathuis en alle openbare werken'. De ‘Hogepriester van Ptah’ in Memfis of de 'Hogepriester van Amon' in Thebe kon ook toezicht houden op de kunstenaars. Deze functionarissen waren bekend met de diverse ambachtelijke technieken, hadden oog voor hoogstaande kunst en waren in staat fouten waar te nemen en waar nodig te corrigeren. Er werd gewerkt in teams, die bestonden uit allerlei specialisten. Zo werkte een tekenaar aan de contouren van een voorstelling, de uitsnijder volgde de lijnen van de betreffende voorstelling, de beeldhouwer hakte de uiteindelijke vormen uit en een kleurmaker bereidde de pigmenten, die dan door een schilder werden aangebracht.
De kunstenaars bezaten meestal eigen gereedschap, dat zij voor hun leven leenden. Het gereedschap werd uiteindelijk doorgegeven aan de volgende generatie. Nauwkeurig werd op papyrus een administratie bijgehouden wie welk gereedschap bezat en hoe zwaar het was. Doorgaans werden de arbeiders van staatswege beloond met graan voor brood- en bierbereiding. Producten zoals gedroogd fruit, linnengoed en sandalen werden soms ook geleverd. Overtollige producten verhandelden de arbeiders soms weer. Amenhotep I stelde als eerste farao de beste ambachtslieden aan om voor hem een graf aan te leggen in het Dal der Koningen. In een speciaal gesticht dorp, Deir el-Medina, werden deze ‘dienaars in de Plaats van de Waarheid’ samen met hun gezinnen gehuisvest.
JB
Bronnen: - Egyptian Art – C. Aldred - Cursus De kunst van het oude Egypte – H. Pragt - Foto’s atelier Thoetmoses, graf farao Horemheb – Roel Rijsdam
