De tempel van Merenptah
Uit Kemet
Farao Merenptah uit de 19de dynastie bouwde zijn dodentempel achter de tempel van Amenhotep III uit de 18de dynastie. Het complex is qua ontwerp vergelijkbaar met het Ramesseum van Ramses II. Maar het is wel de helft kleiner. Voor de bouw van zijn tempel maakte Merenptah dankbaar gebruik van de bouwwerken van zijn voorgangers. Vooral de tempel van Amenhotep III werd als steengroeve gebruikt. Maar niet alleen steen en ander bouwmateriaal werd vanuit deze tempel naar die van Merenptah vervoerd, ook een groot aantal beelden en stèles werden hergebruikt. Het beroemdste voorbeeld hiervan is de Israël-stèle van Merenptah. Deze stèle geeft een poëtisch verslag van de Libische campagne van de farao. In een van de laatste regels wordt het volk Israël genoemd, waarnaar de stèle is vernoemd. De tekst is aangebracht op de achterkant van een stèle van Amenhotep III, die verslag doet van verschillende door hem aangelegde monumenten in de Thebaanse regio.
Via een tien meter hoge pyloon (toegangspoort) kwam men de tempel binnen. Het bovenste deel van de pyloon is, net als het overgrote deel van de tempel, verloren gegaan waardoor het onmogelijk is om vast te stellen welke reliëfs hierop waren afgebeeld. Op de wel bewaard gebleven onderste afbeeldingen is Merenptah voor de god Amon-Ra te zien. De eerste voorhof werd aan beide zijden geflankeerd door papyruszuilen. Aan de zuidzijde verbond een verschijningsvenster de tempel met het koninklijke paleis. Het is niet met zekerheid vast te stellen of het hier gaat om een ceremonieel paleis of een paleis waar de koning daadwerkelijk verbleef. Het paleis was eerst een tichelstenen bouwwerk; later is het bouwwerk vergroot en geheel uit steen opgetrokken. In de tweede voorhof stonden zuilen die afkomstig waren uit de tempel van Amenhotep III. Ook drie grote kolossen die in dit deel van de tempel stonden, waren oorspronkelijk van Amenhotep III. Via twee hypostyle hallen (overdekte zuilenhallen) werd het heilige der heiligen bereikt, waar de god Amon-Ra werd aanbeden. In hetzelfde deel van de tempel bevond zich een kapel voor Osiris en een zonnehof.Ten noorden van de tempel bevonden zich magazijnen. Aan de zuidzijde waren het heilige meer, de priestervertrekken en een werkplaats. In de noord-westhoek bevond zich, ter hoogte van de eerste pyloon, een ruimte die de schatkamer werd genoemd.
Van de tempel van Merenptah is niet veel bewaard gebleven. Begin 1890 werd de tempel deels opgeknapt door de egyptoloog en archeoloog Flinders Petrie. Dankzij de inzet van het Zwitserse instituut is de tempel veranderd in een openluchtmuseum. De oorspronkelijke vorm van de tempel is weer zichtbaar gemaakt en een aantal teruggevonden reliëfs en beelden staan - voor zover mogelijk - op hun oorspronkelijke locatie.
PvG
Bronnen: - Der Totentempel des Merenptah in Qurna – Jaritz (MDAIK 48 1992) - De schatten van Luxor en de Vallei der Koningen - K. Weeks
