Sjabties

Uit Kemet

Ga naar: navigatie, zoeken

Sjabtie van Toetanchamon, Egyptisch Museum, Caïro
Sjabtie van Toetanchamon, Egyptisch Museum, Caïro
Het leven na de dood moest volmaakter zijn dan het leven op aarde, vandaar dat de Egyptenaren er heel veel moeite voor deden om op allerlei magische manieren de kwaliteit van het hiernamaals te waarborgen. Zo gingen zij er vanuit dat zij onbekommerd konden genieten en geen fysieke inspanningen hoefden te leveren. Een sjabtie diende daarom als plaatsvervanger van de overledene wanneer zij in het hiernamaals opgeroepen werden om de noodzakelijke boerenarbeid of herendiensten te verrichten. Sjabties zijn mummievormige beeldjes die in het begin van het Middenrijk verschenen, aanvankelijk in koningsgraven en tijdens de Derde Tussenperiode en de Late Tijd ook in particuliere graven. ‘Sjabtie’ is een Oudegyptisch woord dat 'antwoorder' betekent. Het was de plicht van een sjabtie om gehoor te geven aan een verzoek van de grafeigenaar om werkzaamheden te verrichten.

Sjabties ontwikkelden zich vanuit de beelden van dienaren die tot de grafgiften behoorden. Zij werden vervaardigd uit diverse materialen, maar er werd met name massaal geproduceerd in faience, een keramisch materiaal. De grootte van de beeldjes loopt uiteen. Er zijn er van enkele centimeters, er zijn er ook van ongeveer een halve meter hoog. Gedurende de tijd veranderden de beeldjes van vrij grove exemplaren van klei, was en hout tot prachtige kunstwerken uit steen, hout en faience.

Het verrichten van werkzaamheden was wel de belangrijkste, maar niet de enige functie die aan sjabties kon worden toegeschreven. Aanvankelijk traden sjabties op als de overledene zelf en kregen ze een eigen lijkkist, net als de mummie. Zij werden dan als alternatief voor de ka-beelden gezien. Maar de rol van dienaar, die de grafeigenaar het noodzakelijke werk uit handen nam, kreeg in latere periodes de overhand.

Sjabtie van Sethi I, British Museum, Londen
Sjabtie van Sethi I, British Museum, Londen
Sjabties werden door een magische spreuk tot leven gebracht. Deze spreuk verscheen voor het eerst in de 12de dynastie, als spreuk 472 van de Sarcofaagteksten en vervolgens als hoofdstuk zes van het Dodenboek. De kernboodschap bevatte het verzoek tot het verrichten van werkzaamheden. Deze spreuk stond meestal samen met de naam en titel van de overledene op de sjabtie, met als toevoeging 'de verlichte', waarmee Osiris werd bedoeld, als verwijzing naar de verheerlijkte staat van de overledene in het hiernamaals.

In het Nieuwe Rijk werden de sjabties uitgerust met zaken als landbouwwerktuigjes, kleine schoffels en mandjes en na de Amarnaperiode tevens met alledaagse kleding. Het aantal sjabties nam tijdens het Nieuwe Rijk ook toe. Waren het tot aan de tijd van farao Amenhotep II uit de 18de dynastie, nog twee beeldjes, door de jaren heen werden dat er honderden. Sommige graven bevatten er 365, voor elke dag van het jaar een. Voor elke ploeg van tien arbeiders werd dan nog een opzichter toegevoegd, wat het totaal op 401 sjabties bracht. In het graf van Sethi I trof men ongeveer 700 beeldjes aan en ook graven uit de Late Periode bevatten soms honderden exemplaren. Diverse heilige dieren werden eveneens voorzien van sjabties. Sommige Apis-stieren hadden een mummievormige sjabtie met een stierenkop. Doordat sjabties vanaf de Derde Tussenperiode massaal toenamen in aantal ging de kwaliteit achteruit. Die trend zette zich door totdat ze in de Ptolemaeën Tijd uiteindelijk helemaal verdwenen.

JB

Bronnen:
- Dood en begrafenisrituelen in het Oude Egypte - S. Ikram
- Het Oude Egypte - T. Wilkinson