Dit artikel bevindt zich in de categorie: Graven - Rotsgraven


Cachette DB 320 – beschrijving

Gaston Maspero en Émile Brugsch bij de ingang van DB 320

Vanaf 1875 verschenen er in de kunsthandel in Loeksor steeds meer objecten van nog niet eerder bekende personen uit de oudheid. De Franse egyptologen Auguste Mariette (1821 – 1881) en Gaston Maspero (1846 – 1916) waren rond die tijd na elkaar directeur van de Egyptische oudheidkundige dienst. Zij kregen grafgoederen in handen van Thebaanse priesters uit de 21ste dynastie, zoals sjabti’s, papyri en houten stèles die allemaal uit hetzelfde graf afkomstig leken te zijn.

Maspero vermoedde dat er een nieuwe graftombe was gevonden. Het spoor leidde naar de beruchte grafroversfamilie Abd el-Rasoel. Ondervragingen en omkopingen leverden aanvankelijk niets op. Maar de voortdurende druk die zij op de familie uitoefenden en een aanbod tot amnestie, in combinatie met een hoge beloning, leidden ertoe dat de oudste van de broers, Mohammed, de locatie van de graftombe DB 320 bekend maakte.

Omdat Maspero op vakantie was in Parijs ging zijn vervanger, de Duitse egyptoloog Émile Brugsch (1842 – 1903), op onderzoek uit. Hij liet zich op 6 juli in 1881 naar het graf begeleiden. Het was al snel duidelijk dat de familie Abd el-Rasoel het graf al jaren eerder had ontdekt en een deel van de inventaris had buitgemaakt. In het graf vond Brugsch niet alleen de verwachte mummies en enkele grafgoederen van priesters uit de 21ste dynastie. Zij waren samen met hun echtgenotes en andere familieleden bijgezet. Ook trof hij er de mummies van een aantal vorsten uit het Nieuwe Rijk aan. Émile Brugsch dacht niet lang na. Met de hulp van driehonderd werklieden begon hij meteen met het leeghalen van het graf. Daarbij werkte Brugsch zeer gehaast en binnen 48 uur was de klus geklaard. Hij was waarschijnlijk bang dat de lokale bevolking of op zijn minst de familie Rasoel alsnog een poging zou doen om gedeelten van de inventaris te stelen. Door dit haastwerk maakte hij geen inventarislijst op en legde hij de exacte plaatsing van alle objecten niet vast. Daardoor is het zeer lastig voor latere onderzoekers om te analyseren hoe de inhoud van het graf in de loop van de tijd was opgebouwd. Dit wordt ook veroorzaakt doordat de eerste metingen aan het graf door Brugsch en Maspero achteraf zeer onzorgvuldig en vaak onjuist bleken te zijn.

Het uitpakken van de mummie van Ramses II in het Egyptisch Museum

Pas weken later maakte Maspero aantekeningen van het ontdekken en leeghalen van het graf op basis van het mondelinge verslag van Brugsch. Daaruit bleek dat Brugsch in de lange gang onder andere de kisten van Sethy I, Amenhotep I, Thoetmoses II, Ahmose I en Ahmes-Nefertari had aangetroffen. Daaromheen lagen kapotte beelden, kanopenkruiken en bronzen vaasjes. Deze beschrijving van de locatie van de verschillende kisten is waarschijnlijk maar ten dele correct. In januari 1882 daalde Gaston Maspero onder begeleiding van Émile Brugsch pas voor het eerst af in de cachette die een half jaar eerder was leeggeruimd. Maspero wilde onderzoeken of het graf via onderaardse galerijen was verbonden het Dal der Koningen. Hij was vooral geïnteresseerd in een mogelijke verbinding met KV 17, het graf van Sethy I. Dit bleek niet zo te zijn.
Het uitpakken van de mummies vond plaats vanaf mei 1886 en duurde twee maanden. Dit gebeurde onder supervisie van Maspero en de Britse anatomist en egyptoloog Sir Grafton Elliot Smith (1871 – 1937). Op een ochtend in juni 1886 zag de toenmalige Chedive van Egypte, Mohammed Tawfiq Pasja, toe hoe de mummie van Ramses II uit het linnen werd gehaald. Dankzij de opschriften die in inkt waren aangebracht op het mummielinnen, de houten mummiekisten en andere objecten waren ze in staat om de meeste mummies uit DB 320 te identificeren.

Plattegrond en elevatie graf DB 320 volgens Prof Graefe.

Pas in 1998 maakten Prof. Erhart Graefe en Dr. Galina Belova een goede plattegrond van DB 320.

Plattegrond en elevatie graf DB 320 volgens Prof Graefe. De schacht A staat niet op deze plattegrond.
B= passage
C = bovenste corridor
D = trap
E = nis
F = onderste corridor
G = kamer

Corridor F met zicht op kamer G in DB320

Het graf DB 320 bestaat uit een schacht (A) van ongeveer 11,5 meter diep en ongeveer 2 meter breed. Aan de onderkant van de schacht bevindt zich aan de westkant een ingang naar een passage (B) van 1,7 meter breed en 1,8 meter hoog, die na ongeveer 7,4 meter een scherpe bocht noordwaarts maakt en dan nog ongeveer 60 meter doorloopt. De breedte varieert tussen de 1,3 en 2 meter. Ongeveer in het midden van deze gang bevindt zich een trap (D) met 17 uitgehakte treden en een nis (E) die erop wijst dat de bouwers hier ooit een andere richting hebben willen kiezen. De gang komt uiteindelijk uit in een onregelmatige ruimte (G) van ongeveer 8 meter diep. In 1990 deed Nicholas Reeves een poging om alle beschikbare informatie te analyseren en zo te komen tot een realistische reconstructie van de tombe zoals deze was aangetroffen door Brugsch. Zijn resultaten bleven echter op dat moment grotendeels speculatie, hoewel hij wel tot de conclusie kwam dat de familie Rasoel voor 6 juli 1881 niet in staat kon zijn geweest om de zware kisten te verslepen. Dat betekent dat de opgegeven plaatsen van de kisten door Brugsch grotendeels juist kunnen zijn.

RdJ

Lees ook: Cachette DB 320 – historie.

Bronnen:
– The Royal Cache TT 320: A Re-Examination – G. Belova en E. Graefe
– The complete royal families of ancient Egypt – A. Dodson
– De Verborgen Tombe – H. Pragt
– The royal cache revisited – D. Bickerstaffe