Dit artikel bevindt zich in de categorie: Farao's - Koningen


Pinodjem I

Pinodjem I was de 2de vorst van de Thebaanse tak van de 21ste dynastie volgens de Koningslijst. Tijdens de regering van Nesibanebdjedet I in Tanis was hij de hogepriester van Amon in Thebe. Al vanaf de tijd van priester Herihor erkenden de Thebaanse hogepriesters niet langer de soevereiniteit van de farao die in de Nijldelta resideerde. Het zuiden was rijk en machtig: de hogepriesters bezaten onder andere tweederde van alle tempeldomeinen in Egypte. Ook was negentig procent van alle schepen en tachtig procent van alle landerijen in hun bezit.

Beeld van Ramses II geüsurpeerd door Pinodjem I, tempel van Karnak.

Pinodjem I was ontevreden over het feit dat Nesibanebdjedet I zich nauwelijks bekommerde om het zuiden. Kort voordat hij de macht in het zuiden naar zich toetrok, waren er zware onlusten in Thebe geweest. Daarbij moesten vooral de godenbeelden in de tempel van Karnak het ontgelden. In het eerste jaar van zijn hogepriesterschap werd het graf van zijn moeder Nodjemet geplunderd in Thebe en tijdens zijn bewind werden in Thebe verschillende koningsgraven geplunderd. Dat was de priester Pinodjem I een doorn in het oog. Hij besloot daarom in navolging van Herihor zijn eigen regering te vormen in het zuiden van Egypte. Hij begon zijn naam in een cartouche te schrijven, maar tegelijkertijd hield hij de regeringsjaren van Nesibanebdjedet I aan. Zo leefden beiden in een gedoogconstructie. De politieke macht lag in Tanis, de economische macht in Thebe.

Pinodjem I regeerde niet vanuit Thebe maar legde zijn residentie aan in het noordelijker gelegen Teudjoi, tegenwoordig bekend als El-Hibah. Vanaf deze strategisch gelegen heuvel op de oostoever van de Nijl regeerde hij te midden van zijn drie vrouwen, vier dochters en vijf zonen. Zijn vier belangrijkste zonen waren Masaharta, Djedchonsioeëfanch, Pasebachanioet en Mencheperra.

Vanwege de plunderingen van de koningsgraven startte Pinodjem I zo rond het 6de regeringsjaar van Nesibanebdjedet I een omvangrijk project om de mummies van de farao’s van het Nieuwe Rijk uit het Dal der Koningen te verplaatsen naar geheime locaties. Een project dat later door zijn zoons Masaharta en Mencheperra werd voortgezet. In feite was Herihor al begonnen met het veiligstellen van de mummies van de oude koningen door ze te herstellen en hun graven te inspecteren en te verzegelen. Maar toen bleek dat deze maatregelen niet afdoende waren en grafrovers opnieuw toesloegen of pogingen deden om de oude graven te openen, besloot Pinodjem I om de mummies te verbergen. In eerste instantie gebruikte hij daarvoor de ongebruikte doodlopende schacht in het graf van Sethy I. KV 17 was namelijk al eerder aan plundering onderhevig geweest en vormde daarmee een weinig aantrekkelijke plaats voor grafrovers. Pinodjem I verborg daar de nieuw ingezwachtelde mummies van de eerste drie farao’s van de 19de dynastie, Ramses I, Sethy I en Ramses II. Ook de graven KV 35 van Amenhotep II en KV 57 van Horemheb werden als geheime bergplaatsen gebruikt.

Dodenboek van Pinodjem I, Egyptisch Museum Caïro

In het 13de regeringsjaar van Nesibanebdjedet I verplaatste Pinodjem I de mummie van Ramses III als eerste naar een geheim rotsgraf bovenaan een heuvel naast de tempel van Monthoehotep II. Deze graftombe had ooit toebehoord aan koningin Inhapi uit de 17de dynastie en wordt tegenwoordig aangeduid als cachette DB 320. Er zouden daar nog vele koningsmummies gaan volgen. Ook werd dit graf in de loop van de 21ste dynastie gebruikt om er Pinodjem I zelf en zijn directe familieleden in bij te zetten.

In het 16de regeringsjaar van Nesibanebdjedet I besloot Pinodjem I om een eigen regering te vormen. Hij benoemde zijn oudste zoon Masaharta tot hogepriester van Amon en zijn vertegenwoordiger in Thebe. Hij gaf Masaharta de opdracht om het mummieproject voort te zetten. Tijdens het project werd het onvoltooide graf KV 4 van Ramses XI gebruikt als atelier voor het herstellen en prepareren van de koningsmummies. Ze werden ontdaan van kostbaarheden, die apart werden verborgen.

De uitgepakte mummie van Pinodjem I, Egyptisch Museum Caïro

Toen in het noorden Nesibanebdjedet I werd opgevolgd door Amenemnisoe, besloot Pinodjem I om Tanis te ontzetten en de macht over heel Egypte te grijpen. Omdat zijn zoon Masaharta toen al was overleden en Pinodjem I al op leeftijd was, wees hij zijn zoon Pasebachanioet I aan als opvolger en heerser van het Noorden.

In het 8ste regeringsjaar van Pasebachanioet I overleed Pinodjem I, zodat Pasebachanioet I formeel heerser werd over heel Egypte. Zijn andere zoon Mencheperra voltooide ondertussen als hogepriester van Amon in Thebe het geheime mummieproject dat zijn vader was begonnen. Mencheperra was inmiddels zijn overleden broer Masaharta in deze functie opgevolgd. Hij stelde systematisch alle mummies veilig in DB 320. Gedurende ruim veertig jaar regeerden de beide broers Pasebachanioet en Mencheperra over Egypte. Pasebachanioet I heerste over Tanis en Mencheperra als hogepriester over Thebe. Mencheperra besloot in die periode ook om zichzelf als heerser van het zuiden uit te roepen en zijn naam en titulatuur in cartouches te plaatsen.

Het was de bedoeling dat Pinodjem I zou worden begraven in het ongebruikte koningsgraf van Ramses XI, dat als atelier werd gebruikt voor de behandeling van de mummies van de vroegere farao’s. Toch werd hij uiteindelijk door zijn zoon Mencheperra bijgezet in de cachette DB 320. De mummie van Pinodjem I is in juni 1886 door de Fransman Gaston Maspero uitgepakt in het Egyptisch museum in Caïro. Het stoffelijk overschot van de Egyptische vorst is daarna op mysterieuze wijze verdwenen. In het Louvre in Parijs wordt sinds 1956 een gouden halssieraad bewaard met de troonnaam van Pinodjem I. Het is goed mogelijk dat die van zijn mummie afkomstig is.

RdJ

Bronnen:
– The complete royal families of ancient Egypt – A. Dodson
– Chronicle of the pharaos – P.A. Clayton
– The Oxford history of ancient Egypt – I. Shaw
– De verborgen tombe – H. Pragt