
Grand Egyptian Museum, Caïro.
In februari 1925 deed de Egyptische fotograaf Mohammedani Ibrahim van de Harvard University–Boston Museum of Fine Arts Expedition bij toeval een opmerkelijke ontdekking op het Plateau van Gizeh. Toen hij een geschikte plaats zocht om zijn statief neer te zetten, stuitte hij op een ongewoon laagje gips. Nadat dit was verwijderd, kwamen kleine, zorgvuldig afgewerkte stukken kalksteen tevoorschijn waarmee een holte was opgevuld. Daaronder bleek een trap te liggen die toegang gaf tot een diepe grafschacht. Op deze plaats had in de oudheid waarschijnlijk nooit een bovengronds grafmonument gestaan.
De verdere uitgraving stond onder leiding van Alan Rowe, aangezien expeditieleider George Reisner op dat moment in de Verenigde Staten verbleef. Op 26 februari 1925 ontdekte Rowe op ongeveer negen meter diepte een afgesloten nis in de westwand van de schacht. De volgende dag werd deze geopend. Binnenin lagen resten van voedseloffers, waaronder de kop en voorpoten van een rund en twee aardewerken kruiken.
De schacht bleek nog veel dieper te zijn en liep door tot ruim zevenentwintig meter onder het rotsoppervlak. Op 7 maart 2025 bereikten de opgravers de bodem. Daar werd onder stenen en puin de bovenzijde van een afgesloten doorgang zichtbaar. Na het verwijderen van een kalkstenen blok konden zij in een kamer kijken die vrijwel geheel gevuld was met voorwerpen. Ze zagen onder meer een grote albasten sarcofaag en talrijke vergulde objecten. De uitzonderlijke betekenis van de vondst was onmiddellijk duidelijk.
Reisner, die vanuit Boston op de hoogte werd gehouden, gaf opdracht de werkzaamheden te staken totdat hij zelf naar Egypte kon terugkeren. Hij arriveerde op 22 juli 1925 in Gizeh. De grafkamer bleef echter nog maanden vrijwel onaangeroerd. Pas op 21 januari 1926 begon onder zijn persoonlijke leiding de uiterst zorgvuldige documentatie en berging van de inhoud.
De ondergrondse aanleg kreeg de aanduiding G 7000 X. Tijdens de maandenlange opgraving werd duidelijk dat de kamer een uitzonderlijke koninklijke grafinventaris bevatte. Op 14 april 1926 leverden inscripties op de resten van een draagstoel uiteindelijk de naam van de eigenares: koningin Hetepheres I, echtgenote van Snofroe en moeder van Choefoe, de koningen die aan het begin van de 4de dynastie over Egypte regeerden.

Grand Egyptian Museum, Caïro.
De collectie meubilair en funeraire voorwerpen uit G 7000 X vormt een uitzonderlijke bron voor onze kennis van de materiële cultuur van de Egyptische elite tijdens het Oude Rijk. De vondsten getuigen van een hoogontwikkeld vakmanschap op het gebied van houtbewerking, metaalbewerking en de verwerking van steen, ivoor en faience.
Tot de belangrijkste voorwerpen behoren een grote houten baldakijn, een bed met hoofdsteun, een leunstoel, een draagstoel en verschillende kisten. Bijzonder is het juwelenkistje van Hetepheres, waarvan het hout met bladgoud was bekleed en het deksel was voorzien van een ivoren knop. Een hiërogliefeninscriptie vermeldt de inhoud: ‘Moeder van de koning van Opper- en Neder-Egypte, Hetepheres, kist met armbanden’. In het kistje lagen twintig zilveren armbanden, verdeeld over twee houten cilinders. Ze waren versierd met ingelegde motieven van vlinders. Het zilver was waarschijnlijk geïmporteerd uit de Egeïsche wereld of Anatolië. In het Egypte van het vroege Oude Rijk was zilver veel zeldzamer dan goud en daardoor bijzonder kostbaar.
Tot de grafinventaris behoorden verder onder meer gouden sandalen, kommen, schalen, kannen en wandelstokken. Van veel meubels was het oorspronkelijke hout in de loop van duizenden jaren vrijwel volledig vergaan. Op de bodem van de grafkamer lagen daardoor talloze gouden bekledingen, beslagstukken en inlegwerk, vaak nog ongeveer in de positie die zij ooit op de houten voorwerpen hadden ingenomen.
Juist deze toestand maakte de opgraving buitengewoon ingewikkeld. Toen George Reisner in januari 1926 met de systematische ontruiming van de grafkamer begon, moest ieder fragment eerst nauwkeurig worden gedocumenteerd voordat het kon worden verwijderd. Assistent-archeoloog Dows Dunham legde de positie van de onderdelen vast met metingen, tekeningen en beschrijvingen. De Egyptische restaurator Ahmed Youssef speelde vervolgens een belangrijke rol bij de reconstructie van het meubilair. Op basis van de ligging van duizenden fragmenten konden voorwerpen waarvan het hout vrijwel geheel was verdwenen toch worden herbouwd.
Een van de indrukwekkendste reconstructies is de grote koninklijke baldakijn: een demontabel houten geraamte, gedeeltelijk met goud bekleed, dat rondom het bed kon worden opgesteld om gordijnen aan op te hangen. Ook de bijbehorende gordijnkist werd gereconstrueerd. Het bed liep licht af naar het voeteneinde en behoorde bij een houten hoofdsteun met kostbaar beslag.
Van bijzondere historische betekenis is de draagstoel. De gouden hiërogliefen die in ebbenhouten stroken waren aangebracht, noemen Hetepheres onder meer als ‘moeder van de koning van Opper- en Neder-Egypte’. De naam van Choefoe op de draagstoel verbindt het voorwerp rechtstreeks met haar zoon en maakte uiteindelijk duidelijk voor wie deze uitzonderlijke grafinventaris was vervaardigd.
Nadat de losse voorwerpen uit de kamer waren verwijderd, bleef de grote albasten sarcofaag achter. Op 3 maart 1927 werd deze in aanwezigheid van Egyptische autoriteiten geopend. De spanning was groot, maar de sarcofaag bleek leeg te zijn. Van het lichaam van Hetepheres ontbrak ieder spoor.

Grand Egyptian Museum, Caïro.
In de westwand van de grafkamer bevond zich echter een zorgvuldig afgesloten nis. Daarin stond een vierkante albasten kanopenkist. Deze bevatte organisch materiaal dat als de gebalsemde ingewanden van Hetepheres is geïnterpreteerd. Daarmee ontstond een raadsel dat tot op heden niet overtuigend is opgelost: als haar ingewanden in G 7000 X waren bijgezet, waarom bevond haar lichaam zich dan niet in de sarcofaag?
Reisner ontwikkelde hiervoor een dramatische verklaring. Volgens hem was Hetepheres aanvankelijk bij haar echtgenoot Snofroe in Dasjoer begraven. Nadat grafrovers haar graf hadden geschonden en haar lichaam hadden weggenomen, zouden hofambtenaren dit voor koning Choefoe verborgen hebben gehouden. De overgebleven grafinventaris en een lege sarcofaag zouden vervolgens naar Gizeh zijn overgebracht en heimelijk in G 7000 X zijn bijgezet.
Deze reconstructie wordt tegenwoordig niet meer algemeen aanvaard. Onder anderen Mark Lehner heeft erop gewezen dat G 7000 X ook een oorspronkelijke opslagplaats of tijdelijke bijzetting kan zijn geweest. In dat scenario werd het lichaam van Hetepheres later overgebracht naar een ander graf, mogelijk een van de koninginnenpiramides ten oosten van de Grote Piramide. Het beschikbare bewijsmateriaal laat vooralsnog geen definitieve keuze tussen de verschillende scenario’s toe.
Dankzij de uiterst nauwkeurige documentatie van Dunham en het restauratiewerk van Youssef konden verschillende vrijwel verdwenen meubelstukken worden gereconstrueerd. Daarbij werden de oorspronkelijke gouden bekledingen en andere bewaard gebleven onderdelen op nieuw hout aangebracht. Zo kregen onder meer de baldakijn, het bed, de draagstoel en verschillende kisten opnieuw hun oorspronkelijke vorm.
De originele grafinventaris van Hetepheres maakt tegenwoordig deel uit van de collectie van het Grand Egyptian Museum in Gizeh. Het Museum of Fine Arts in Boston bezit nauwkeurig vervaardigde reconstructies van verschillende meubelstukken, die een beeld geven van de uitzonderlijke rijkdom van deze koninklijke uitrusting uit het Oude Rijk.
RdJ
Aanverwante artikelen:
Bronnen:
– Giza Project Databases (Harvard University / Museum of Fine Arts, Boston)
– The Tomb of Hetep-Heres the Mother of Cheops – G. Reisner
– The Pyramid Tomb of Hetep-heres I – M. Lehner
– Hetepheres Again – P. Lacovara
– Foto’s kanopen- en sieradenkist: Richard de Jong

