Het Egyptische Dodenboek ontstond aan het begin van het Nieuwe Rijk. Het bestaat uit een verzameling van religieuze en magische spreuken en bijbehorende afbeeldingen die de overledenen hielpen bij de overgang naar het hiernamaals. Lees ook het artikel met een introductie tot het Dodenboek.
De spreuken uit het Dodenboek bevatten voornamelijk de beschrijving van het rijk van de god Osiris. Ook de zonnegod Ra speelt een belangrijke rol. Spreuk BD17 gaat over het aanbidden van Ra. Het is een van de langste en meest complexe spreuken uit het Dodenboek.

RMO, Leiden.
Spreuk BD17 werd samengesteld door priesters en geeft hun opvattingen weer over de aard van de goden. De spreuk kan in drie gedeeltes worden verdeeld. In het eerste deel wordt de dode vereenzelvigd met de opkomende zonnegod Ra. In het tweede deel volgt een reeks van smeekbeden die de bevreesde overledene tot de zonnegod Ra richt om hem te redden van allerlei dreigende gevaren. Het derde deel bevat toevoegingen op zaken die al eerder in de spreuk zijn genoemd.
Het vignet op vel 7 van het Dodenboek van Kenna in de afbeelding hierboven, toont de overleden Kenna geheel rechts terwijl hij het senet-spel speelt. In het midden knielt hij in aanbidding van Ra. De zonnegod bevindt zich in de horizon en wordt geflankeerd door twee leeuwen die de overgang tussen leven, dood en wedergeboorte bewaken.
De spreuken in het Dodenboek zijn vaak lastig te begrijpen en dat geldt zeker voor deze spreuk. Enkele passages uit het eerste deel van spreuk BD17 uit het Dodenboek van Ani luiden als volgt:
‘… het binnengaan en uitgaan van het domein van de goden, … het uitgaan naar de dag, elke gedaante aannemen waarin hij wenst te zijn, het spelen van het senet-spel, zittend in een tent, en naar buiten treden als een levende ba-ziel. Het spreken van woorden door de Osiris schrijver Ani nadat hij is gestorven. Het is heilzaam voor hem die dit op aarde uitvoert.
… Ik was Atoem toen ik alleen was en voortkwam uit de oerwateren. Ik was Ra in zijn schitterende verschijningen toen hij begon te heersen over wat hij had geschapen.’
De laatste zin van de eerste alinea verklaart dat kennis van de inhoud ervan voor een mens zeer heilzaam was, zelfs terwijl hij nog op aarde leefde.
De spreuk bevat ook een eigenaardig vraag- en antwoordspel. Het begint meestal met de vraag ‘Wat is het dan?’. Hierop volgt een theologische interpretatie. Ook wordt met ‘Anders gezegd:’ regelmatig een alternatieve uitleg gegeven. Het alternatief geeft een tweede of zelfs derde mogelijke interpretatie aan. De Egyptenaren geloofden niet in één enkel ‘juist’ antwoord. Door ‘Anders gezegd:’ toe te voegen, erkenden ze dat een goddelijk symbool meerdere waarheden tegelijkertijd kon bevatten.
‘Wat is het dan? Het is deze Ra toen hij begon te verschijnen in Heracleopolis als koning, voordat de steunpilaren van Sjoe tot stand waren gekomen, toen hij zich bevond op de heuvel die in Hermopolis is. Ik ben de grote god, de uit zichzelf ontstane Noen…
Wat is het dan? Het is deze Ra die zijn naam en zijn leden schiep en het ontstaan van de goden die zich in zijn gevolg bevinden. Ik ben hij die onder de goden niet wordt tegengewerkt.
Wat is het dan? Hij is deze Atoem die zich in zijn zonneschijf bevindt. Anders gezegd: hij is deze Ra wanneer hij opkomt aan de oostelijke horizon van de hemel. Mij behoort gisteren toe. Ik ken de morgen.
Wat is het dan? Wat gisteren betreft: dat is deze Osiris. Wat morgen betreft: dat is deze Ra op de dag waarop de vijanden van de Heer van Alles werden vernietigd en zijn zoon Horus tot heerser werd gemaakt. Anders gezegd: dat is de dag van het ‘Wij-blijven’-feest, toen de begrafenis van Osiris werd bevolen door zijn vader Ra.’
Spreuk BD17 is het enige bekende voorbeeld van een oud-Egyptisch verklarend werk en toont aan dat er onder de priester-geleerden verschillende opvattingen bestonden over de betekenis van de passages die erin voorkomen.

British Museum, Londen.
Vel 8 van het Dodenboek van Ani toont het tweede deel van spreuk BD17. Links is de god Hehoe te zien die geassocieerd wordt met het oerwater waaruit ieder nieuw leven voorkomt. Het Horusoog boven de witte tempel in het midden symboliseert genezing en heelheid. Links daarvan is de poort naar het dodenrijk te zien. De liggende koe stelt de hemelse oceaan voor: het water waar de zonnegod Ra op vaart. Rechts wordt de kist met de ingewanden van Ani getoond, beschermd door de vier Horuszonen.
Spreuk BD17 vormt een van de meest waardevolle spreuken van het Dodenboek, omdat ze een uiteenzetting geeft van de leerstellingen die de verheerlijkte geest van de overledene geacht werd te kennen.
Aanverwante artikelen:
- Het Egyptische Dodenboek – introductie
- Het Egyptische Dodenboek – spreuken
- Het Egyptische Dodenboek – spreuk BD1
- Piramideteksten
Bronnen:
- Syllabus Egyptisch Dodenboek – H. Pragt
- The Egyptian book of the dead – E. Wallis Budge
- The Egyptian book of the dead, the complete Papyrus of Ani – J. Wasserman, C. Andrews, O. Goelet
- The ancient Egyptian books of the afterlife – E. Hornung
- Afbeeldingen: www.ushabtis.com, Dik van Bommel en website RMO

