Dit artikel bevindt zich in de categorie: Samenleving - Dagelijks leven


De eenwording van het oude Egypte

Voorzijde mes uit Gebel el-Arak, Louvre Parijs

De eenwording van Opper- en Neder-Egypte wordt gezien als het begin van de Egyptische beschaving. Er is echter veel onduidelijkheid en onenigheid over het moment waarop de vereniging precies plaatsvond en welke processen en ontwikkelingen daaraan voorafgingen.

De culturele fasen van ontwikkeling in de prehistorie van Egypte die leidden tot de uiteindelijke eenwording, worden in drie periodes ingedeeld:

Naqada I: ca. 4000 – 3500 v.Chr.
Naqada II: ca. 3500 – 3150 v.Chr.
Naqada III: ca. 3150 – 3000 v.Chr.

De eerste aanwijzingen van de aanwezigheid en groei van de Egyptische cultuur zijn te dateren vanaf ongeveer 5400 v.Chr. Er is een overgang te zien van jagen en verzamelen naar het verbouwen van land.  Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er gedurende de periode 5400 – 3000 v.Chr. plotselinge veranderingen in de cultuur of belangrijke inmenging van andere volken hebben plaatsgevonden.

Achterzijde mes uit Gebel el-Arak, Louvre Parijs

Tijdens de Naqada II-periode vormden zich onder leiding van lokale stamhoofden de eerste kleine staatjes in het Nijldal. Waarschijnlijk groeide het gebied waarin Abydos, Naqada en Hiërakonpolis zich bevonden, uit tot een territoriale eenheid. Een prachtig voorbeeld van de hoge kwaliteit waarmee grafvoorwerpen werden vervaardigd tijdens de Naqada II-periode, vormt het vuurstenen mes uit Gebel el-Arak. Het handvat is uit ivoor en is aan beide zijden voorzien van fijn uitgesneden figuren die zijn verdeeld over vijf horizontale registers. De achterzijde toont de Mesopotamische invloed met het motief van de ‘Meester der Dieren’, een gebruikelijk voorstelling in de Mesopotamische kunst. Een man met een baard is gehuld in een lang gewaad en draagt een hoedvormig hoofddeksel. Hij bedwingt twee volwassen mannetjes leeuwen die hem belagen. De voorstelling van de twee leeuwen wordt tegenwoordig opgevat als het symbool voor de planeet Venus die in de oudheid werd gezien als de morgen- en avondster.

In de Naqada III-periode breidden de ontstane staatjes zich richting het noorden en zuiden uit tot ‘regionale koninkrijken’. Met de annexatie van de Nijldelta kwam aan deze snelle expansie een einde. Er werden tijdens deze periode waarschijnlijk onderlinge bondgenootschappen gesloten en conflicten uitgevochten totdat, ergens tussen 3150 en 3000 v. Chr., vrijwel het gehele zuiden van Egypte onder controle kwam van één persoon.

Het is onduidelijk waarom men een territoriale eenheid nastreefde. Er waren genoeg natuurlijke bronnen in de regio zodat de lokale bevolking geen reden had om voedsel uit andere gebieden te halen. Hoewel er contacten waren met buitenlandse volken, is er geen bewijs gevonden dat duidt op een externe militaire dreiging of zelfs een invasie die een eenwording noodzakelijk maakte.
Een mogelijke verklaring is dat er behoefte was aan directe controle over de lucratieve handel met andere regio’s in de oostelijke gebieden rondom de Middellandse Zee. Ook de ontwikkeling van grotere schepen vereiste hout dat niet in Egypte voorradig was, maar uit het huidige Libanon moest worden gehaald.

Egyptoloog Barry Kemp vergelijkt de expansie en eenwording met een aantal in beginsel gelijkwaardige spelers die een spel Monopoly spelen. Tijdens het spel vergaren ze bezittingen door ruilhandel of gedwongen verkoop en concurreren ze met elkaar. Het ene moment is de ene speler wat sterker, het volgende moment een andere speler. Door een combinatie van (gemiste) kansen, omgevingsfactoren en persoonlijke beslissingen ontstaat er langzamerhand een situatie waarin de spelers niet meer gelijkwaardig zijn. Het voordeel verschuift steeds meer naar één enkele speler die uiteindelijk, door het annexeren van de bezittingen van anderen, genoeg bezittingen heeft vergaard om het spel te winnen.

Knotskop van Schorpioen, Ashmolean Museum Oxford

Er is veel onenigheid onder egyptologen over de vraag wie uiteindelijk Opper- en Neder-Egypte verenigde. Bij opgravingen in Hiërakonpolis in het seizoen 1897-1898 vonden egyptologen James Quibell (1867 – 1935) en Frederic William Green (1869 – 1949) onder andere gegraveerde paletten en knotskoppen met de namen van Narmer en Schorpioen erop. Een van die knotskoppen toont een tafereel met daarop een koning met een witte kroon: het symbool van Opper-Egypte. Twee hiërogliefen bij zijn mond geven waarschijnlijk zijn naam weer: Schorpioen en of Rosetta. Het tafereel toont zijn leiding bij het aanleggen van een irrigatiekanaal en maakt duidelijk dat er een strijd is geweest waarbij Schorpioen de overwinnaar is. Een deel van het tafereel op de knots ontbreekt echter. Er is gesuggereerd dat op dat gedeelte Schorpioen ook voorkomt, getooid met de rode kroon van Neder-Egypte. Dat zou hem voor koning Narmer plaatsen als koning van Opper- en Neder-Egypte en vereniger van beide landen. Bewijs hiervoor ontbreekt vooralsnog. Tijdens deze opgravingen werden ook een knots en een palet van koning Narmer gevonden. Dit Narmerpalet toont aan beide kanten koning Narmer die een witte en een rode kroon draagt.

Op latere koningslijsten wordt de naam van Menes genoemd, maar zijn naam komt niet voor op de monumenten uit die tijd. Mogelijk waren Narmer en Menes dezelfde persoon. Ook is gesuggereerd dat Narmer en Schorpioen dezelfde persoon waren, omdat de knotsen en paletten van beide vorsten dezelfde stijlkenmerken hebben en waarschijnlijk in hetzelfde atelier zijn gemaakt. Het was niet ongebruikelijk dat een koning tijdens zijn leven zijn titulatuur aanpaste om gebeurtenissen of veranderingen aan te tonen of extra onder de aandacht te brengen.

Er blijft dus discussie over wie nu de beide landen verenigde en onduidelijkheid over de vorsten die aan Narmer voorafgingen. Omdat het Narmerpalet het oudste bewijsstuk is dat een concrete aanwijzing bevat van een koning die heerste over de beide landen, wordt Narmer als eerste vorst van de eerste dynastie beschouwd volgens de Koningslijst.
RdJ

Bronnen:
– A history of ancient Egypt – M. van de Mieroop
– The complete royal families of ancient Egypt – A. Dodson
– Chronicle of the pharaos – P. Clayton
– The Oxford history of ancient Egypt – I. Shaw
– Ancient Egypt, anatomy of a civilization – B. Kemp