Dit artikel bevindt zich in de categorie: Farao's - Koningen


Mencheperra

Bronzen beeldje in de vorm van een sfinx met de naam Mencheperra, Louvre Parijs.

Mencheperra was de 3de vorst van de Thebaanse tak van de 21ste Thebaanse dynastie volgens de Koningslijst. Ondanks zijn lange regeerperiode zijn er nauwelijks voorstellingen van deze farao bekend. Een bronzen beeldje van Mencheperra als hogepriester-koning wordt bewaard in Rio de Janeiro. Een ander bronzen beeldje heeft de vorm van een sfinx en is ingelegd met goud. Het wordt in het Louvre te Parijs bewaard en heeft de stijlkenmerken van de 21ste dynastie. Omdat het alleen de naam Mencheperra in een cartouche vertoont, schrijven velen het beeldje toe aan de vergoddelijkte Thoetmoses III. De vader van Mencheperra, Pinodjem I, voorzag voor hem een toekomst als generaal en waarschijnlijk is hij daarom vernoemd naar Thoetmoses III. Deze roemruchte farao uit de 18de dynastie, wiens troonnaam Mencheperra luidde, had tijdens zijn bewind vele succesvolle militaire campagnes uitgevoerd.

Mencheperra was nog maar een tiener toen zijn oudste broer Masaharta werd benoemd tot hogepriester van Amon in Thebe. Daarbij kreeg Masaharta van zijn vader de opdracht verder te gaan met het verbergen van de koningsmummies uit het Nieuwe Rijk. Pinodjem I was met dit uiterst geheime project gestart vanwege de vele plunderingen van de koningsgraven die al sinds het bewind van Ramses IX plaatsvonden.

De ballingschapstèle van Mencheperra, Louvre Parijs.

Na de dood van Masaharta wees Pinodjem I in eerste instantie zijn zoon Djedchonsioeëfanch aan als Amonpriester en heerser over het zuiden van Egypte. Waarschijnlijk nam hij een aantal politieke beslissingen die in de ogen van Pinodjem I onvergeeflijk waren. Daarom onthief Pinodjem I zijn zoon Djedchonsioeëfanch uit zijn functie. Uit de zogenaamde ballingschapstèle, die in het Louvre in Parijs wordt bewaard, blijkt dat generaal Mencheperra naar het zuiden werd gestuurd om zijn broer Djedchonsioeëfanch uit zijn functie te zetten. Daarna benoemde Pinodjem I Menchepera tot hogepriester van Amon in het zuiden. Dit vond plaats in het 25ste regeringsjaar van Nesibanebdjedet, de vorst die over het noorden van Egypte regeerde. Mencheperra kreeg van zijn vader de opdracht om de koningsmummies uit het Nieuwe Rijk veilig te stellen. Pinodjem I en Masaharta waren al begonnen met het verbergen van de mummies van onder andere Ramses I, Sethy I en Ramses II, Thoetmoses II en Amenhotep III.

Mencheperra nam zijn taak zeer serieus en stelde systematisch vrijwel alle overige vorsten van het Nieuwe Rijk veilig in de cachette DB 320. Hij liet de mummie van Sethy I restaureren en een jaar later herbegraven in zijn eigen graf KV 17.
Ahmose I en zijn vrouw werden herbegraven in DB 320 en ook zijn broer Masaharta, zijn halfzussen Maätkara en Tajoeherit en zijn vader Pinodjem I kregen hier een nieuwe rustplaats. Ook gaf Mencheperra de opdracht om bij de tempel van Hatsjepsoet een verborgen rustplaats aan te leggen voor de priesters van Amon. Hij gebruikte daartoe een reeds bestaand graf dat hij liet uitbreiden met een lange onderaardse gang onder de zuidzijde van het tweede terras.

Tien jaar voor de dood van Pinodjem I werd zijn zoon Pasebachanioet I officieel heerser over het noorden van Egypte. Bij de dood van Pinodjem ging de heerschappij over het zuiden van Egypte over op Mencheperra. Hij liet zijn titel als hogepriester van Amon en zijn naam in twee cartouches plaatsen. Hij was gehuwd met zijn nichtje, de dochter van Pasebachanioet, Asetemachbit C genaamd. Ze kregen acht kinderen. Aan de zuidkant van het heilige meer van de tempel van Karnak liet hij een paleis bouwen uit tichelsteen dat als residentie diende wanneer hij als hogepriester in functie was.

Tichelsteen uit Gebelein met de cartouches van Mencheperra.

Mencheperra besefte dat beveiliging tegen de dreigingen in het achterland noodzakelijk was. Hij liet daarom zo’n dertig forten bouwen op de heuvels langs de oevers van de Nijl en aan het begin van de woestijnroutes. De forten werden gebouwd op min of meer gelijke afstanden van elkaar. Zelf woonde hij in het familiefort in Teudjoi. Mencheperra stierf op hoge leeftijd na een regeringsperiode van 41 jaar als heerser van het zuiden. Zijn oudste zoon Nesibanebdjedet II volgde hem op als priesterkoning van het zuiden. Zijn andere zoon, Pinodjem II, zette het project van het veiligstellen van de mummies voort.

Uiteindelijk zijn meerdere generaties verantwoordelijk geweest voor het feit dat de mummies van de belangrijkste farao’s uit het Nieuwe Rijk bewaard zijn gebleven, maar dit is vooral te danken aan het werk van Mencheperra. Een opvallend feit is dat Mencheperra zelf niet werd bijgezet in DB 320. Van hem, zijn vrouw Asetemachbit C, zijn zoon Nesibanebdjedet II en hun grafinventaris ontbreekt vrijwel ieder spoor. Het lijkt erop dat zijn graf nog ergens ligt verborgen, misschien in de uitgestrekte gebieden ten noordwesten van het Dal der Koningen. In 2015 is echter een fragment van een sarcofaag uit rood graniet aangetroffen in Abydos. Het is een hergebruikte kist uit de 19de dynastie die vermoedelijk heeft toebehoord aan een van de zonen van Ramses II. De titulatuur en de naam van de hogepriester koning Mencheperra valt op dit fragment te lezen.

RdJ

Bronnen:
– The complete royal families of ancient Egypt – A. Dodson
– Chronicle of the pharaos – P.A. Clayton
– The Oxford history of ancient Egypt – I. Shaw
– De verborgen tombe – H. Pragt